De hoge kosten voor democratie – Asghar Seyed-Gohrab over de situatie in Iran

30 January 2026

De pijnlijke gebeurtenissen in verschillende steden in Iran hebben duizenden doden tot gevolg gehad, het aantal genoemd door Times (25 januari 2026) is 30.000. Ondanks de afsluiting van de internetverbindingen zijn er genoeg video’s en verslagen uit Iran waardoor de VN onderzoekt of er misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd. Wat in Iran is gebeurd, zal waarschijnlijk als een nationaal trauma de Iraanse geschiedenis in gaan, met de vraag hoe een regime in twee dagen tienduizenden van de eigen mensen koelbloedig kon doodschieten. In de woorden van de Iraanse Oscar winnaar Asghar Farhadi: er kunnen geen rechtvaardige redenen gevonden worden voor deze bloedige tragedie.

Wat we de afgelopen weken in Iran hebben gezien is hoe de bevolking vreedzaam demonstreerde tegen corruptie en wanbestuur van het regime die hebben geleid tot economische malaise, en voor vrijheid en democratie. En hoe die demonstraties op bloedige wijze zijn neergeslagen. ‘Deze geest gaat niet meer terug in de fles’ wordt er gezegd, dit regime staat op instorten. Daarbij wordt ook de vraag gesteld of er een alternatief is, meer in het bijzonder of dit alternatief de vorm kan krijgen van een democratie met vrije verkiezingen en een rule of law. Garanties zijn er niet, toch zijn er een aantal factoren die maken dat ik hier optimistisch over ben.

Om te beginnen is het democratiseringsproces in Iran al meer dan 150 jaar gaande. In al die tijd is er een levendig discours over hoe een democratie eruit zou moeten zien. Al in de negentiende eeuw verschenen talrijke traktaten over democratisering, zoals het invloedrijke Eén Woord (1871) van de diplomaat en politieke hervormer Tabrizi. Hij verdedigde het idee dat een land op basis van een grondwet (“één woord”) bestuurd dient te worden. In deze periode dacht men dat de introductie van westerse technologie een oplossing was om de  ontwikkelingsachterstand van Iran het hoofd te bieden, maar Tabrizi was van mening dat alleen de rule of law een democratisch proces teweeg zou brengen, en dat dit de basis zou zijn voor welvaart. Tabrizi was niet de enige: vele andere intellectuelen schreven soortgelijke werken. Deze geschriften vormden de basis voor de Constitutionele Revolutie van 1905, waarna Iran een van de eerste landen in Azië werd dat een parlement instelde. Aan deze grondwettelijke hervorming ging dus al minstens zestig jaar van intellectuele voorbereiding vooraf. De Constitutionele Revolutie werd in 1911 neergeslagen, onder andere door Russische interventie en een bombardement op het parlementsgebouw, maar het democratiseringsproces bleef als concept en wens wel voortleven. Perzische intellectuelen bleven schrijven over de totstandkoming van een democratisch systeem.

In 1925 stichtte Reza Shah, de grootvader van de huidige kroonprins, de Pahlavi dynastie. Daarmee begon een nieuw tijdperk voor Iran. Hoewel hij zei een parlementaire democratie voor te staan, liep het anders. Hij leidde een monarchie geënt op het eeuwenoude idee van Perzisch koningschap. Toch heeft Reza Shah verregaande hervormingen doorgevoerd zoals modernisering van het onderwijs, het leger en het juridische systeem, kledingvoorschriften en stadsinrichting. Zijn belangrijkste beslissing was wellicht het verwijderen van de geestelijken uit het onderwijs en de rechtelijke macht. Dit waren hervormingen die de macht van de geestelijkheid inperkten en stap naar een parlementaire democratie konden zijn.

Ook tijdens Reza Shahs regering bleven de democratische krachten sterk. Reza Shah werd afgezet door de geallieerden in 1941 vanwege zijn pro-Duitse instelling, en zijn zoon Mohammad Reza werd koning. In de jaren die volgden ontstond in Iran meer ruimte voor het intellectuele debat. Er was opnieuw een parlement dat via algemene verkiezingen tot stand kwam. Op 29 april 1951 werd Mohammad Mosaddeq minister-president. Zijn ambitie om de olieproductie te nationaliseren kwam hem en heel Iran duur te staan. De Britten exploiteerden de Iraanse olie al vanaf het begin van de 20ste eeuw. Zij betaalden 16% van de jaarlijks winst aan Iran volgens een contract dat ze 60 jaar eerder hadden afgesloten. De rest van de olieopbrengsten ging naar Groot Brittannië. Nu dreigden zij enorme olie-inkomsten te gaan mislopen en daarom zetten de Britten alles op alles om de nationalisatie te dwarsbomen. Met de assistentie van de CIA slaagden de Britten erin om Mosaddeq ten val te brengen. Door de ongeregeldheden vluchtte Mohammad Reza Shah het land uit, en na de Brits-CIA-coup kwam hij terug en de monarchie werd opnieuw geïnstalleerd. De ontluikende democratie werd in de kiem gesmoord.

Ook Mohammad Reza Shah voerde vergaande hervormingen in om Iran te moderniseren. Zijn Witte Revolutie in 1963 was invloedrijk zowel maatschappelijk als politiek, door bijvoorbeeld het instellen van vrouwenkiesrecht. Politiek had dit belangrijke gevolgen, omdat een deel van de geestelijkheid, vooral Khomeini, enorm verontwaardigd was door deze hervorming. Zij zetten mensen aan om te gaan demonstreren. De demonstraties werden bloedig neergeslagen en Khomeini werd verbannen.

Intussen versterkte de monarchie de overheidsinstanties en zette vaart achter het moderniseringsproces; ontwikkelingen die het moderne Iran vorm hebben gegeven. Mohammad Reza Shah zag ‘Parijs’ als voorbeeld van hoe Iran zou kunnen zijn: mondain, modern, welvarend, waarbij geloof in het privédomein thuishoorde. Tegelijkertijd broeide in de maatschappij ontevredenheid met name onder de linkse intellectuelen en de religieuze klasse, vooral vanwege censuur, gebrek aan vrijheid van meningsuiting, en ongelijke verdeling van de olie-inkomsten. Kortom: er werd ook toen weer gereageerd tegen het democratisch tekort. De Revolutie van 1979 was zeker bij aanvang niet islamitisch en was bedoeld om democratische idealen te verwezenlijken, maar Khomeini heeft hem uiteindelijk gekaapt. De inval van Saddam Husseins leger in september 1980 heeft Khomeini daarbij geholpen doordat deze de democratisering verstoorde die de bevolking voor ogen had. De oorlog was de langste conventionele oorlog van de 20ste eeuw, met ongeveer een miljoen doden, en duurde tot 1988.

Na deze oorlog wilde het merendeel van de bevolking de draad van het democratiseringsproces weer oppakken, hoewel het Islamitische Regime inmiddels stevig in het zadel zat en werkelijke democratische verkiezingen onmogelijk waren. Elke kandidaat moest immers worden goedgekeurd door de ‘raad van hoeders’ waardoor de keuze voor de bevolking was voor ‘religieus’ of ‘extreem religieus,’ of beter gezegd ‘islamitische revolutionaire ideoloog’ of ‘ultra-islamitische revolutionaire ideoloog’. In 1997 kozen mensen massaal voor Mohammad Khatami, die vrijheden beloofde maar zelfs na twee termijnen daar weinig van terecht kon brengen. De komst van Ahmadinejad in 2004 was weer een nieuwe fase waarbij de bevolking vreedzaam democratisering opeiste. Behalve dat er weinig echte keuze was voor de bevolking, was de uitkomst van verkiezingen verre van betrouwbaar. In 2009 gingen miljoenen Iraniërs de straat op met de slogan ‘waar is mijn stem?’ De demonstranten, voornamelijk afkomstig uit de middenklassen, streefden naar geleidelijke politieke hervormingen, maar de protesten werden hard neergeslagen.

Op dit moment wordt er wel gezegd dat de oppositie nog verdeeld is. Dat wordt gezien als problematisch, maar eigenlijk is het een kracht: in een vitale democratie zijn er verschillende overtuigingen die allemaal een stem mogen hebben. Wat zij moeten delen is de wens dat er een democratische rechtsstaat is. Die wens lijkt nu inderdaad door veel mensen gedeeld te worden. Dit verklaart ook de groeiende steun voor de kroonprins Reza Pahlavi die ook inzet op een democratie voor Iran. Uit een recente poll (Gamaan) blijkt dat ongeveer een derde van de Iraniërs in Iran sterke voorstander is van terugkeer van de kroonprins. Ook andere leiders zoals Mir Hossein Mousavi, de leider van de Groene Beweging die al sinds 2011 huisarrest heeft, heeft een scherp statement tegen het bloedbad gepubliceerd. De geweldloze demonstraties van Iraniërs zijn met zulk bruut geweld neergeslagen dat er een keerpunt is bereikt. Noch voor het regime, noch voor de bevolking is er een weg terug. 

Bij alle verdriet om wat er nu gebeurt, een trauma voor Iraniërs, is er nog iets wat mij optimistisch maakt. Dat is dat het in 150 jaar niet is gelukt om het culturele en intellectuele leven in Iran te laten verstommen. Op allerlei manieren, via film, muziek, poëzie en debat zijn Iraniërs met elkaar en met de rest van de wereld in gesprek over wat het goede samenleven moet zijn. Ook nu is het opvallend hoe politieke traktaten en kunstvormen samengaan. Bovendien hebben vrouwen hierin een grote rol en belangrijke stem. Zij doen binnen en buiten Iran volop mee aan het discours, en zoals telkens weer blijkt, is de vrouwelijke stem van doorslaggevende betekenis in vreedzame en constructieve hervormingen. Iran heeft een eeuwenoude robuuste intellectuele traditie die op goed bestuur reflecteert. De creativiteit en de geweldloosheid waarmee Iraniërs zich uitdrukken en met elkaar in gesprek gaan kunnen de basis zijn voor een nieuwe orde in Iran.

Afbeelding: ‘The Funeral of Isfandiyar’, circa 1330. The Metropolitan Museum of Art, objectnummer 33.70.